Malaise met de pensioenuitkeringen.

Gedurende een aantal jaren is het flink hommeles met de pensioenuitkering en is er steeds weer sprake van kortingen op de verworven uitkeringen. Heb je met een jarenlange premieheffing via  je werkgever aan je verplichtingen ten opzichte van het pensioenfonds voldaan en daarbij het gevoel verkregen dat een vastgestelde pensioenuitkering naast de AOW naar behoren is geregeld, dan wordt er bij meerdere pensioenfondsen aan deze zekerheid getornd door noodzakelijke geachte kortingen op de uitkeringen aan te kondigen. Een kwalijke zaak wat veel verontrusting en teleurstelling te weeg brengt, maar bovenal een ernstige inbreuk op datgene wat in het vooruitzicht gesteld was, want gedane toezeggingen worden op deze wijze niet nagekomen. 

Een ontwikkeling wat vele ouderen in een benarde positie ten opzichte van hun koopkracht doet geraken. 

De redenen die naar aanleiding van de kortingen op de pensioenrechten worden aangevoerd, zijn zeer wel herkenbaar, maar dat laat niet weg dat er een stabieler beleid van de pensioenfondsen verwacht had mogen worden. Dat de uit spaargelden en deposito’s te behalen winsten via renteverrekeningen als maar terug liepen, was al  ruim voor de Eeuwwisseling duidelijk waarneembaar. Pensioenfondsen hadden daar adequater op moeten reageren, door tijdig de bakens te verzetten naar solidere beleggingsvormen, zoals de bouw en verhuur van woningen en kantoorruimten. Dit laatste is een zeer persoonlijk getint voorbeeld, maar naar mijn inziens waren er meerdere mogelijkheden geweest waar men met een redelijk uitzicht  op een bevredigend rendement verder had kunnen bouwen. Daar is, naar het zich nu laat aanzien, te weinig aandacht aan besteed, met als gevolg dat men nu met een bijna geheel in het niets opgegane rentevoet in de problemen is geraakt. Dit zeer ten nadele van cliënten van verscheidene  pensioenfondsen. De daar uit voortvloeiende kortingen op de pensioenuitkeringen zijn echter wel zeer  catastrofaal voor een grote groep pensioengerechtigden, te meer daar de overheid de laatste tien jaar de jaarlijkse indicatie voor de compensatie van de prijsstijgingen niet van toepassing heeft laten zijn op de inkomens van gepensioneerden. Alles bijeengenomen heeft dit de ouderen op een behoorlijke financiële achterstand gezet, wat ook nog eens is verergerd door de onlangs doorgevoerde drie procent Btw-verhoging op de dagelijks benodigde levensmiddelen, een prijsstijging die in de praktijk veelal sterk naar boven blijkt doorgevoerd te zijn. Deze nadelige ontwikkelingen mogen stuk voor stuk als zeer nadelig uitgevallen beschouwd worden voor ouderen met slechts een klein tot zeer matig pensioentje en deze ondervinden daarmee een daling van hun koopkracht wat ook weer van invloed is op de steeds nadrukkelijker van uit de overheid beklemtoonde zelfstandigheid. De doorgevoerde kortingen en het achterblijven bij de indicaties doet dan ook vele ouderen op schier onoplosbare problemen uitkomen. Te denken valt daarbij aan het onlangs vrijgegeven persbericht, dat ruim 800.000 Nederlanders, veelal gepensioneerden, in grote financiële problemen zijn geraakt ten gevolge van de jaarlijkse huurverhogingen.  

Een totaal andere druk op de pensioenfondsen komt voort uit de bezwaren door jongeren aan de orde gesteld. Zij vrezen dat ten gevolge van de grote groep ouderen die bovendien de neiging vertonen om alsmaar ouder te worden, de pensioenpot ten tijde van hun pensionering vrijwel leeg zal zijn en dat zij daarnaast met een geringere groep jongeren ook nog een beduidend hogere pensioenpremie  zullen moeten opbrengen voor een aanzienlijk grotere groep ouderen. Geen ongegronde vrees en voor mij ook prijzenswaardig dat men dit duidelijk naar voren brengt. Moeilijker valt het echter te verteren dat men klaarblijkelijk doelt op een nog verder gaande korting van de huidige pensioenen. Het is prima dat men zich realiseert welke problemen zich er voor de jongeren in de toekomst gaan voordoen, daar dient men zich op voor te bereiden, maar het komt mij minder juist voor als daarbij gedacht gaat worden aan een claim op de huidige pensioenreserves, ontstaan vanuit de premiebetalingen van de nu gepensioneerde senioren en volledig berekend op het nakomen van de verplichtingen ten opzichte van de huidige en de eerstvolgende generatie pensioengerechtigden. Het valt daarbij waar te nemen dat onder de jongeren de mening leeft dat dit best moet kunnen, daar de ouderen welvarend genoeg zijn. Dit laatste mag voor een deel van de ouderen opgaan, maar voor vele ouderen geldt dit beslist niet, zeker niet voor de oudere  groep gepensioneerden. Deze groep heeft rond de jaren vijftig van de vorige eeuw met werkweken van om en nabij 50 uur en een beduidend lager loon de kost moeten verdienen en dien ten gevolgen ook een veel minder riante pensioenopbouw verkregen dan wat heden ten dage gebruikelijk is. Dit betekent dat lang niet alle ouderen nu van een onbezorgde en welvarende oude dag genieten, het komt mij dan ook als een misvatting voor dat men veronderstelt dat de ouderen van nu best wat kunnen inleveren ten behoeve van de na hun komende generaties. Deze ouderen hebben hard moeten werken voor hun pensioenrechten en hebben in de naoorlogse opbouw de pensioenpremies maar met node kunnen missen. In dat opzicht valt het al niet te rechtvaardigen dat er nu op de verkregen rechten wordt gekort, laat staan dat uit de met de nodige opoffering verkregen pensioenrechten nu ook nog reserveringen moeten gaan naar een groep jongeren die zelf nog een jaar of veertig de mogelijkheid hebben om het een en ander zo goed mogelijk voor zich zelf te regelen. Dit zal ongetwijfeld de nodige inspanning en offers vergen, maar dat hebben de gepensioneerden van nu zich ook moeten getroosten.

Gelukkig begint de overheid langzamerhand in te zien dat er niet ongebreideld doorgegaan kan worden met het korten op de pensioenuitkeringen. De door de overheid ingestelde renteberekening¸ die de pensioenuitkeringen moet garanderen, wil men enigszins gaan bijstellen en tevens wil men onderzoeken of er via de maandelijkse AOW-uitkering een compensatie voor de kortingen op de pensioenen geregeld kan worden. Los daarvan heeft ook minister Koolmees aangegeven naar een regeling te zoeken, die het mogelijk maakt pensioenfondsen zodanig te ondersteunen dat deze niet tot kortingen over behoeven te gaan. Onbegrijpelijk is het daarbij echter wel dat hij vooral aan een ondersteuningsvorm voor de ABP denkt en de overige in de gevarenzone verkerende pensioenfondsen buiten deze regeling wil houden. Voelt de minister zich meer verantwoordelijk voor de ABP als ambtenaren pensioenfonds en laat hij de specifieke werknemers pensioenfondsen gewoon in de kou staan? Daar ziet het wel naar uit en hoe sociaal is dat dan wel? Pensioengerechtigden zitten toch allemaal met het zelfde probleem die dienen toch zonder aanzien des persoons gelijkelijk geholpen te worden.

Los van de pensioenperikelen wordt er rond de jaarlijkse troonrede van 17 september gesproken over een redelijke inkomensverbetering voor alle Nederlanders, opvallend is daarbij dat de niet werkenden, dus weer de gepensioneerden, maar de helft toebedacht krijgen van wat er aan de werkenden wordt toegezegd. Wat rechtvaardigt nu een zich alsmaar herhalende achterstelling van ouderen, chronisch zieken, mensen met een beperking en de minder fortuinlijke werkzoekenden.

Een politieke kronkel wat alleen maar de tweedeling kan bevorderen.


 =+=+=+

 

[Naar overzicht]