Leidt het langer thuis wonen tot lagere zorgkosten?

Thuiszorg of zorg in een verpleeghuis of verzorgingshuis: voor de meeste ouderen maakt dat niet veel uit. Wel gaat de voorkeur van vele ouderen uit naar een zo lang mogelijk verblijven in de eigen en vertrouwde woonomgeving, het  behoud van  de zelfstandigheid speelt daarbij een belangrijke rol. Helaas blijkt de wens om zo lang mogelijk thuis te blijven wonen, om uiteenlopende redenen, niet altijd voor iedereen ook mogelijk te zijn of valt het ten opzichte van bepaalde aandoeningen zelfs sterk af te raden.  Welke oplossing in deze ook van toepassing, er zal altijd een kostenplaatje aan verbonden zijn.

Ruim vier jaar geleden concludeerde onze toenmalige overheid dat deze kosten op de lange duur onbeheersbaar zouden worden en besloot vandaar uit om de toegankelijkheid tot zorginstellingen sterk te verminderen.  Geconfronteerd met ouderdomsgebreken een chronische ziekte of een wat ernstigere beperking diende men zich zo lang mogelijk in de eigen woonvoorziening te handhaven. Dit zou een aanzienlijke kostenverlaging in de zorgverlening gaan opleveren.

Hoewel volkomen ondeskundig ten opzichte van kostenbeheersing, deed mij dit besluit van onze overheid, om mensen langer thuis te laten verblijven en daarmee meer zelf de kosten voor de eigen zorgbehoefte te laten dragen, direct al ernstig twijfelen aan het beoogde succes.  Kosten bestrijd je niet  met een decentralisatie van de zorgverlening, hoog uit verschuif je deze naar een ander potje vanwaar uit de kosten betaald moeten worden. In dit geval de portemonnee van de zorgbehoeftige. Men verwijst daarbij naar de eigen verantwoordelijkheid, op zich niets mis mee, die eigen verantwoordelijkheid moet men echter wel kunnen opbrengen. Is dat niet het geval dan zal er toch weer financieel bijgesprongen moeten worden vanuit de overheid. Als men daarbij dan ook nog in ogenschouw neemt, dat door de sluiting van meerdere bij deze maatregel betrokken zorginstellingen, vele zorgverleners en hun ondersteuners overbodig zijn geworden, waaronder meerdere met een leeftijd die je maar weinig kans biedt op de arbeidsmarkt. Dan betekent dit een zeer omvangrijke toename van uitkeringsgerechtigden, wel is waar wordt dat  uit een ander potje betaald, maar een Euro is en blijft een Euro die door de belastingbetaler opgebracht moet worden en daarmee  blijft het voor mij de vraag of er wel werkelijk enige winst is geboekt met het besluit om mensen langer thuis te laten wonen.

Het RIVM (Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu), het CPB (Centraal Planbureau) en de Erasmus Universiteit hebben daar gezamenlijk een onderzoek naar gedaan, de uitkomsten daarvan zijn gepubliceerd in het tijdschrift Economisch Statistische Berichten. Deze uitkomst  toont aan dat het voor het overgrote deel van de ouderen, ten opzichte van de levensduur en de kosten, nauwelijks enig verschil uitmaakt of men in de thuissituatie of in een zorginstelling wordt verzorgd. Wel komt uit het onderzoek duidelijk naar voren dat het risico van een opname in het ziekenhuis onder de bewoners van een zorginstelling minder groot is dan dat dit voor de thuiswonende het geval is. Waarschijnlijk ten gevolge van  de verleende zorg in de zorginstellingen. Het studieonderzoek zelf geeft dus niet aan dat met het langer thuis blijven wonen een sterke kostenverlaging wordt bereikt.   Het verwijst echter wel naar de wenselijkheid van een degelijk nagaan van de bijkomende kosten en baten, daar deze mede van belang zijnde aspecten in het onderzoek buiten beschouwing zijn  gebleven. Een zeer gedegen onderzoek naar de kwaliteit van het leven van ouderen die langer thuis blijven wonen en  dezelfde categorie ouderen opgenomen in een zorginstelling wordt eveneens gewenst en noodzakelijk geacht.

Om langer thuis te kunnen blijven wonen en mee te kunnen doen in de samenleving hebben mensen met een beperking, een chronische ziekte of ouderdomsgebreken veelal behoefte aan een bepaalde vorm van ondersteuning, Gemeenten zijn hier volgens de Wmo verantwoordelijk voor. Deze gemeentelijke Wmo-ondersteuning dient gericht te zijn op de aanvulling ven een vorm van hulp die mensen zelf geregeld hebben of van familie en vrienden verkrijgen. De uitgangspunten van de Wmo zijn daarbij zelfredzaamheid, participatie en het functioneren in het dagelijks leven. Belangrijke aspecten zijn daarbij: wat kan men als cliënt zelf nog en waar heeft men hulp bij nodig? 

Benadrukkend dat het mij aan de benodigde professionele kennis en inzicht ontbreekt, doch dit, als een veeljarig belangenbehartiger, ruimschoots gecompenseerd te achten vanwege de opgedane ervaringen, meen ik vrij zeker te weten dat langer thuiswonende ouderen eerder en veelvuldiger een beroep moeten doen op de Wmo-ondersteuning dan de oudere die in een zorginstelling opgenomen is. Dit  laat zich zonder meer vertalen als een niet mis te verstaan kostenverhogend effect. Betrekt men daarbij ook  de conclusie uit het hiervoor aangegeven onderzoek met inbegrip van de aanmerkelijk grotere kans op ziekenhuisopnames voor thuiswonende ouderen en alle daaraan verbonden kosten, dan blijf ik mij in een onverminderde mate en met grote twijfel afvragen of er nu werkelijk sprake is van een belangrijke kostenvermindering als gevolg van het langer thuis laten wonen van mensen die meer gebaat zouden zijn bij een opname in een zorginstelling. Dit doet de vraag stellen: Heeft onze overheid in deze wel goed en diepgaand nagedacht over de effecten van het besluit om mensen langer thuis te laten blijven wonen?


  =+=+=+